Please update your Flash Player to view content.
Please update your Flash Player to view content.
Please update your Flash Player to view content.

De vader van Alex Pijper

Een voetbalvader die ik graag mag is Alex Pijpers vader Jan. We zitten aan de keukentafel aan de rand van Lewenborg. De plek waar Alex opgroeit, in een overzichtelijke wereld. Met oog op het nog altijd aanwezige trapveldje waar vader en zoon menig uur doorbrachten. ‘Alex was een enorm energiek kereltje, hele dagen in de weer, niet moe te krijgen. Voetballen, dat was wat hij hele dagen wilde.’ Jan had op dat moment nog niet kunnen bevroeden dat zijn zoon het zou schoppen tot de hoofdmacht van FC Groningen.

Pijper senior groeit op in Spijk en Godlinze, in een gezin van tien kinderen. Vader is landarbeider, als jonge jongen helpt hij mee op het land. Voetballen doet hij van kleins af aan. Schoolplein, straat, veldjes. Wordt lid van VV Godlinze op z’n 15e, zo ging dat destijds en komt direct bij de senioren. Allemaal derby’s: Corenos, De Heracliden, De Fivel. In de onderafdeling. Hij wordt gezien ‘als een beetje een talent’ en gevraagd bij Poolster te komen voetballen, derde klasse KNVB. 18 inmiddels, tweebenig, acterend op het middenveld, goed schot, veel overzicht. Hij ontmoet tijdens een dansvond zijn toekomstige vrouw Grietje, uit Uithuizen. Tevens de plaats waar het jonge stel gaat wonen en waar Jan enige tijd de kleuren van Noordpool UFC verdedigt. Dochter Anita wordt geboren, het is 1968. Jan solliciteert bij de Nederlandse Spoorwegen voor de machinistenopleiding en hij wordt tot zijn grote vreugde aangenomen, wat inhoudt dat hij naar de stad Groningen dient te verhuizen.

Potetos

Hij wordt getipt bij Potetos te komen ballen, de club voor PTT-medewerkers aangevuld met spelers van buiten. Hele mooie tijd. Hij schuift een linie naar achteren. Is een goeie kopper, uit corners pikt hij z’n goaltjes mee, hij heeft lengte. Medespeler is Louis Koorenhof. Jan blijft er een seizoen of vijf. Het gezin verhuist naar Lewenborg en door NS-collega Nanno Kranenborg, destijds trainer/speler bij deze club ging hij hier voetballen. Zoon Alex ziet het levenslicht (1973). Lewenborg speelde destijds op de velden bij Van Starkenborgh. Pijper volgt de cursus voor jeugdtrainer, daarnaast is hij leider. Zijn weekenddiensten op de trein past hij zo veel mogelijk op het voetballen aan, dat zou altijd zo blijven. Alex wordt lid bij FC Lewenborg, al vroeg wordt zijn talent zichtbaar, hij steekt er bovenuit. Maakt deel uit van een sterke lichting. Is op jonge leeftijd enorm gedreven, alles draait om de bal, hij móet voetballen. Grietje is de spil thuis en altijd van de partij als Alex voetbalt, uit en thuis. Jan is een seizoen leider van zijn zoon. ‘Ik heb ervoor gekozen om juist ook geen leider van hem te zijn, ik merkte dat je als vader heel kritisch kunt zijn, als ik vond dat hij te veel alleen deed, dan zei ik dat na de wedstrijd.’ Als C-junior wordt Alex gevraagd om bij GRC Groningen te komen voetballen, als tweedejaars C-junior komt hij bij de B-junioren. Ze spelen landelijk, jeugdvoetbal op hoog niveau met veel tegenstand. Een van de hoogtepunten is het afsluitend toernooi in Zeist om het kampioenschap van Nederland.



‘Nieuwe Ronald Koeman’

Pa Pijper voetbalt tot z’n 43ste in de hoofdmacht van Lewenborg. Dochter Anita (zij kiest voor handbal) krijgt verkering met Marco Waslander, later voetballer bij FC Groningen, Heracles en Go Ahead Eagles en thans amateurvoetbaltrainer in Deventer. Alex blijft zich sterk ontwikkelen en in de kijker spelen. Hij komt uit voor selectieteams, speelt hierin samen met bijvoorbeeld Gerard Wiekens, insiders voorspellen de jonge Pijper een grote toekomst, ‘een nieuwe Ronald Koeman’ zo klinkt het. Bij GRC laat Henk Veldmate, ‘hij was echt één met Alex’, zijn oog op hem vallen en haalt hem in de A-junioren naar FC Groningen. De voetballer ontmoet op de havo Angela, een kampioene trampolinespringen. ‘Lex’ zal niet meer van haar zijde wijken. De entourage wordt daarmee professioneler, de wereld harder, hij is tweedejaars B-junior. Ze voetballen tegen Ajax (met leeftijdsgenoot Clarence Seedorf) en Feyenoord, Grietje blijft de trouwe toeschouwer als Jan op de trein zit. Hij zit bij de Beloften, ze spelen in Zeist alwaar de groten van Oranje trainen. Komt daardoor in trainingspartijtjes tegenover Gullit en van Basten te staan.

Veteranen

Jan maakt de overstap naar de veteranen van GRC, door zijn vriend en collega Gerard Koop. Prachttijd, met veel goeie voetballers, mooie avonturen beleefd. Jan laat kiekjes zien; fraaie elftalfoto’s, hij is de pezige man met de blonde kuif. Duidelijk is dat de aimabele zeventiger enorm veel plezier beleefde aan het voetballen. Het spelletje, de fijne contacten, veel gewonnen, veel gevierd. Hij blijft voetballen tot hij als vijftiger het snelle fietsen ontdekt en omarmt. Alex sluit aan bij de A-selectie van de FC. In 1992. Met spelers als De Wolf, Meijer, Lodewijks. Maakt z’n debuut onder Pim Verbeek. Hij houdt zich staande tussen de grote mannen. Krijgt een contract. En speelminuten. Hij is de balafpakker met de tomeloze inzet.

Kruisband

Als Alex 20 is, begint het gedonder met de rechterknie. Scheuren van de voorste kruisband. Van een pees wordt een nieuwe kruisband gemaakt. Revalidatie, gaat tijdje goed. Vervolgens problemen met de meniscus. Opnieuw operatie. Het houdt niet op. Achillespees afgescheurd, ditmaal linkerbeen. Teleurstelling op teleurstelling. Na hoop weer terugval. Moeilijk om op het hoogste niveau terug te keren. Hij wordt voor een seizoen verhuurd aan RBC Roosendaal, Wim Koevermans is hier trainer, eerste divisie. Speelt voor de beker tegen Feyenoord, in De Kuip. Henk Nienhuis die ‘m nog kent uit de periode dat hij directeur was bij FC Groningen, polst hem voor een komst naar De Langeleegte. Hij hapt toe. Tweejarig contract. Jan denkt dat de kruisband nooit sterk genoeg is geweest om terug te keren op het hoogste niveau. ‘Achteraf, maar dat is achteraf, heb ik het idee gehad dat hij steeds te snel moest terugkeren op het veld en dat is niet bevorderlijk geweest voor het herstel. Er waren in die periode ook minder financiële middelen om dat te begeleiden, zoals dat nu is, terwijl de druk groot was.’ In de wedstrijd tegen Eindhoven gaat hij opnieuw door de knie en wordt duidelijk dat het boek betaald voetbal is gesloten. 1998, 25 jaar. Vader en zoon bespreken hoe verder. ‘Alex had zich al die jaren volledig op betaald voetbal gericht, school was bijzaak. Door mijn baan bij de NS was hij met dit werk opgegroeid en koos hij uiteindelijk voor de opleiding tot conducteur. Jazeker maakte dat me trots, direct werd duidelijk dat dit werk ‘m goed lag. Alex is sociaal, kan goed met mensen.’

Gemis

Verdriet en onzekerheid is er in 1998 als Grietje ernstig ziek blijkt. Een hele klap voor het gezin. Iets wat je je niet voorstelt als je samen begint en ouder wordt. Ook voor Alex die een speciale band met haar heeft, door het voetbal dat ze zo intensief samen beleven, ze lijken op elkaar, ze heeft goede invloed op hem. Na hoop keert de ziekte als een dief in de nacht terug. In 2006 overlijdt ze, 59 jaar jong. Groot gemis. Jan stopt in 2010 bij de NS. Hij had zich inmiddels opgewerkt tot allround-machinist. ‘Dat me dat gelukt is, die opleiding doen, dat had ik als klein jochie niet durven dromen. Het was helemaal mijn wereld. Het reizen, de collega’s, de techniek die erbij komt kijken. Het allermooist vond ik de locomotieven. 42 jaar heb ik het gedaan en altijd met zoveel liefde.’ Op het fotoboek van het afscheid knipt Alex, als gebruikelijk ritueel bij afscheid, de dienststropdas van zijn vader door.

Amateurs

Alex meldt zich in seizoen 1998/1999 bij de amateurs van Omlandia in Ten Boer, waar hij en Angela twee jaar eerder neerstreken. Bij de wit-blauwen zijn ze wat blij met zijn komst. Bafloër Jan Potma is trainer. ‘Op de eerste training dachten we: zo hé, die jongen kan wel wat. Hij legde een bal over veertig meter in een keer op je stropdas’ aldus een medespeler van destijds. Na een paar seizoenen en een poosje in het vierde elftal en in de zaal bleek dat doorvoetballen niet langer ging en werden de voetbalschoenen opgeborgen. Hij werd leider van het vijfde en supporter van zijn dochters. Een anekdote die de interviewster niet vergeet is toen Omlandia rondom het jaar 2000 aantrad tegen VV Middelstum, competitie. Een speler van Middelstum had zich vooraf enorm verheugd toen hij ontdekte dat Alex Pijper op het wedstrijdformulier stond. Echter. Oog in oog met Pijper nam emotie de overhand. De jongen stopte ineens, voet op de bal, en zei met overslaande stem en vochtige ogen: ‘Potverdorie, Alex Pijper, jij bent mijn grote idool!’ Dat hij zijn held op veel te jonge leeftijd in het amateurvoetbal tegenkwam; zo had het niet mogen gaan.

Familie en fietsen

Jan blijft vandaag de dag kilometers maken. Niet meer op de trein, maar op de racefiets (jaarlijks 7000 kilometer) en in de winter op de hybride (nog eens 2500 kilometer). Hij laat trots zijn witte tweewieler zien, echte Wilier, Italiaans merk. Een ritje over de dijk via Delfzijl naar Spijk of richting Uithuizen, gedag zeggen tegen een broer of zus. Hij fietste de Elfstedentocht, de tocht der giganten die hij ook tweemaal schaatste. Is aangesloten bij de Toer Fietsclub Winsum en maakt lange tochten waar hij enorm van geniet. Zoals de Noordzeeroute langs de kust of de Wierdentocht in Groningen. Met vier NS-collega’s vormt hij nog een fietsclubje. Veluwe, Limburg; de mannen blijven trappen. Nog veel vergulder kijkt Jan wanneer hij wijst naar de portretten van zijn kinderen en kleinkinderen. De twee zoons en dochter van Anita en Marco en de twee dochters van Alex en Angela. Waar mogelijk staat opa langs de lijn ze aan te moedigen. Op de fiets natuurlijk. En wie goed kijkt naar die blonde meisjes - de een lijkt op Alex met veel inzet en passeerbewegingen, de ander is vooral sociaal en heeft oog voor medespeelsters - die ziet: bij de familie Pijper wordt het voetbal doorgegeven.

Pelikaan Bert Noordhof

Denkend aan De Pelikanen denk ik aan Bert Noordhof, denkend aan Bert denk ik aan gras. Deze poëtische gedachte vraagt om een gesprek. Onze ontmoeting heeft echter enige voeten in aarde. Bert blijkt de enige Nederlander zonder mobieltje. Ik app derhalve zijn voetbalkameraad Bart. Wat volgt is een afwijzing. ‘Bert wil niet. Hij vindt je een lieve meid, maar hij wil geen interview. Hij wil niet op voorgrond.’

Wat in tussentijd heeft afgespeeld is onbekend, maar Bert keuvelt er flink op los deze vrijdagochtend. Het is 30 juni, de dag voor de officiële fusiedatum. Geboorte van een nieuwe club: DVC Appingedam. Zoals Bert is een man van het gras, ben ik een vrouw van het gras. Daarom veel instemmend geknik. Zielsverwantschap op het Burgemeester Welleman Sportpark.

Liefdevol vertelt Bert over zijn grasmat. Samen met de andere jongens van de onderhoudsploeg de doordeweekse ochtenden paraat. De belijning, dat is zijn taak. Bij uitwedstrijden in de derde klasse C had hij dit seizoen trots geconstateerd: nergens zo’n goed veld als bij ons. Geheim zit ‘m in het intensieve bewerkingsproces. Schrapen van het gras, bezanden, vlaktrekken, graszaad erin, extra aandacht voor het strafschopgebied.

Bert heeft een aanstekelijke lach die hij om de vijf zinnen inzet. Hier en daar moet ik streng zijn en hem terugvoeren naar het onderwerp. ‘Bert, terug naar 1979, je blessure.’ Ander lastig punt dat hij zóveel namen noemt en hij veronderstelt dat ik ze ook allemaal ken (‘dei kinst doe ook wel’), waarbij hij vergeet dat we twintig jaar schelen en ik niet van hier ben. Het tekent Noordhof; ontelbaar veel mooie herinneringen, fijne ontmoetingen, enorm gelachen. Hij wil niemand overslaan.

Jonge Bertus

Als kleine man altijd met de bal bezig. Grote groepen kwamen bijeen op het Hipposterrein. Gaat er berefanatiek aan toe, er wordt geselecteerd, prestigestrijd om bij de 22 te komen die mee mogen doen. Bert is de balafpakker. Dat zou altijd zo blijven. Samen met kameraad Kor Evenhuis. Op zijn twaalfde kan hij lid worden. Bij De Pelikanen, dat staat vast. Honkvast bleef ie. In de jeugd zit hij niet bij de standaardelftallen, hij moet er hard voor werken. Bij de A-junioren komt het besef: ik wil in dat eerste elftal. Knokt zich erin. De aanvoerder zoekt hem persoonlijk op, Bert staat met Kor op het hoekje bij de Gereformeerde kerk: ‘Jullie staan morgen beiden in de basis.’ Uit bij Poolster. Bertus Noordhof is achttien, het is 1970.

Hij staat erin en raakt zijn plek niet meer kwijt. Rechtsback. Echte mandekker. Gezellige tijd en geeft goed gevoel dat je mag uitkomen in het vlaggenschip. Op een elftalfoto staat hij tweede van links. Woeste bos donkere krullen, zeemansbaard. Maar ook een gezichtsuitdrukking die als ‘bleu’ te omschrijven is. Ik vraag Bert hoe dit zit. ‘Inderdaad was ik een verlegen kereltje destijds, maar ik moet zeggen door het voetballen kreeg ik wel het nodige zelfvertrouwen. Ik werd driest.’

‘De rokjesmannen’

Stukje verderop hangt een collage van de jaarlijkse feestavond van Peli. Ieder elftal doet een toneelstukje. Op doordeweekse avonden wordt driftig geoefend. Bert is organisator, samen met zijn vrouw Wilma, en fanatiek bij de sketches. Hij beleeft hier ontzettend veel plezier aan. Wijst op een kiekje waarop hij met twee anderen een act opvoert, ze zijn ‘de rokjesmannen’. Hij schiet weer in de lach, zo leuk. We zitten vermoedelijk in the early eighties; de krullen zijn wat getemd, de verlegen blik is foetsie.

En als ik nu naar Bert kijk; roze broek (‘kiek, mit tandpastavlek’), strak turquoise T-shirt, bungelend halskettinkje, vrijuit vertellend en vrolijk, zie ik: Bert wordt ieder jaar een beetje jonger. Iemand met wie het heerlijk kletsen is, waarmee je kunt lachen. Met een aura van vertrouwd en gemoedelijk. Of je elkaar lang kent. En ik betrap mezelf op de gedachte: zoals Bert mochten er meer wezen.

In de jaren zeventig wordt de eerste kantine gebouwd, nog zonder kleedgebouwen. Gedoucht wordt er niet of men neemt een duik in een voederbak van naburig vee. Bert wordt in het eerste elftal nimmer kampioen. Klaas Timmer is een van zijn trainers, ‘hele aardige man.’ Hij voetbalt lang samen met Klaas Bos, ze zijn echte ploegmaten. Klaas staat laatste man en libero. Memorabele wedstrijd is tegen Omlandia wanneer Berts directe tegenstander de sterke Wim van de Heide is. ‘Mijn opdracht was Wim in toom houden. En wat denk je? Hij heeft geen bal gehad, ik had hem volledig in de zak.’ Glunderende ogen bij het vertellen.



De smoor in

Bij Bert gaat presteren en gezelligheid hand in hand. ‘Soms heerste er een sfeer, ook later in mijn tijd als elftalleider proefde ik dat wel van ‘als het maar gezellig is’. Dan ontbrak het aan ambitie. Daar kon ik niet goed tegen, een nederlaag, dan had ik flink de smoor in. Dat was ook zo weer over, maar ik vond wel, je moest alles geven.’

In 1979 stopt zijn carrière abrupt nadat hij zijn kruisband ernstig beschadigt. ‘Nota bene de dag na de geboorte van onze oudste dochter Inge. Mijn vrouw had nog gezegd, gaist doe mor mooi voetballen.’ Hij deed nog enige pogingen om terug te keren, maar tevergeefs. De knie bleef opspelen.

Jeugdleider is zijn nieuwe roeping. D2, B2, B1, samen met Klaas Bos. Daarna de overstap naar de A- junioren. Training en coaching. Misschien wel de mooiste tijd. Alles klopt, hele fijne groep, ook als begeleiding klikt het. Elftal met René van der Duin, Erik Damhof, Jeroen Lulofs (zijn pa Bert was grensrechter), de gebroeders Metz. In de winter wordt getraind op gravel. Vaste prik is de oefening ‘twee keer raken’, als het goed gaat door naar ‘één keer raken’. Bert geniet ervan.

Dan de stap naar elftalleider van het eerste. Hij komt zijn A-junioren weer tegen, inmiddels grote mannen. Met onderbreking van een jaar (hij stopte maar wordt weer benaderd) in totaal twintig jaar. Hij omschrijft zichzelf als iemand die ertussen staat, één van de jongens, niet van de overdreven strenge regels. ‘Als een speler een sigaretje rookte vond ik dat dat moest kunnen.’

Op het appèl

Tal van hoogtepunten maakt hij mee met zijn spelers. In 2006 thuis kampioen geworden in de derde klasse na winst op De Heracliden, Jan Vriemoedt scoort acht minuten voor tijd de verlossende 2-1. ‘Wat een spanning, er moest gewonnen worden, ik hield het niet meer. Geweldige entourage, op de kar door de stad, groot feest.’ Of de onvergetelijke trainingskampen in Roderesch. ‘Voor een groep is dat heel bindend. Flink trainen, van slapen komt zoals dat gaat weinig terecht, maar om 9.30 verschijnt iedereen toch weer op het appèl.’

Onbetwiste highlights zijn tevens de ontmoetingen met profclubs, onder andere wanneer Peli feestelijk jubileert. In 1988 komt FC Antwerp. Jan Idema is trainer in Appingedam. Spits bij Peli is Ruud Medema. ‘Echte goalgetter, scoorde uit onmogelijke hoeken.' Ruud is de schoonvader van Arnold Kruiswijk en is jarenlang buurman van Bert. In 1991 bestaat Peli veertig jaar. PSV meldt zich, met Van Breukelen en Koeman. (‘Romario zat nog in Brazilië.’) De dochter van Bert is pupil van de week. Waarvan acte op de grote foto met beide ploegen in de kantine. Tien jaar later komt FC Groningen. En wordt er datzelfde jaar, 2001, aangetreden tegen Lucky Ajax.

Kippenvel

Noordhof maakt diverse trainers mee. ‘Kees Bouma springt er voor mij echt bovenuit. Trainers zeggen wel ‘ik kan spelers beter maken’, maar ik geloof daar niet in. Zeker in de wat lagere regionen van het amateurvoetbal is dat gewoon niet zo. In die twee keer anderhalf uur trainen maak je een voetballer niet beter. Wat wel kan is een téam sterker maken. Daarin vond ik Kees Bouma erg goed en datzelfde geldt voor Jan Idema en Klaas Jan Moesker. Trainers die hamerden op teamgeest, conditie en duelkracht. Daar kun je het verschil maken is mijn mening.’

‘Soms hoor je trainers zeggen: die voetballer heb ik ontdekt, of het hun verdienste is. Grootste flauwekul. Zoiets komt toevallig op je pad. Dat heb ik gehad met René van der Duin, dat gaf me een heel blij gevoel toen hij bij FC Groningen ging spelen. Toen hij scoorde tegen Feyenoord kreeg ik kippenvel.’

Tot 2010 is hij elftalleider. Heeft zich al voorgenomen dat als hij zou stoppen met werken, hij deel wil uitmaken van de onderhoudsploeg. In 2012 stopt het werk bij het tandtechnisch laboratorium, werk dat hij 43 jaar met veel plezier deed en waar hij bovendien zijn grote liefde Wilma ontmoette, ze waren collega’s. Voor hen geen ingewikkeldheden zoals dat soms ging in Appingedam, ‘een Damster- jongen met een Pelikanen-meisje, dat lag heel gevoelig.’ Nee, Wilma kwam van Kloosterburen, waar ze deel uitmaakte van het damesteam. Later bij de Pelikanen werd ze leidster bij de meisjes.

Bert is in zijn element in de onderhoudsploeg. Naast de belijning verricht hij alle voorkomende werkzaamheden. Verven, een keer een kraan vervangen, onderhoud van de materialen, overleggen. ‘Mensen denken weleens; het seizoen is toch afgelopen dan hoeven jullie ook niet meer aan de bak, maar zo werkt dat niet, het onderhoud gaat altijd door.’

Biertje kwiet?

Bert is trouwe supporter van Peli 1. Uit en thuis, altijd van de partij. Samen met zijn voetbalmaten Bart Beukema, Gerrie de Groot, Klaas Jilderda, Ayold Rentema. Vast hoekje in de kantine. Alles wordt besproken. Nu enige inside-information. Naar verluidt is een vast ritueeltje dat als Bert een shagje gaat roken bij terugkomst zijn biertje verdwenen is. Zijn makkers genieten van zijn zoekende blik. ‘Bist dien biertje kwiet, Bert?’ Op een onbewaakt ogenblik zetten ze snel het goudgele schuim weer terug. Genieten wederom van Berts verbaasde hoofd en zeggen: ‘Kiek Bert, dien biertje stait d’r ja gewoon.’ Iedere zaterdagmiddag opnieuw leuk.

Bert kijkt vertrouwensvol vooruit, de fusie is een feit. Wat hem betreft waren er betere namen te bedenken geweest, sensitief als hij is als het gaat om geschiedenis. Een naam met strokartonfabriek De Eendracht, of iets met Fivelstad. Ook is het best slikken dat het nieuwe hoofdveld (van voorheen de buurman) nog niet het zijne is, met het gras waar hij zo trots op is. Het zij zo. Afwachten maar. Ook komend seizoen is hij weer van de partij. Ik vraag hem wat hij na al die jaren kenmerkend voor De Pelikanen vindt, wat hem zo aanspreekt in zijn cluppie. Er volgt een snel antwoord zonder twijfel. ‘Dat we altijd ontzettend veel lol hebben met elkaar.’

Bert zet me thuis weer af. Ik heb gezegd op de fiets te zullen komen maar de rechtsback van weleer wijst dit resoluut af : ‘Niks d’r van, ik hol die op en breng die thoes.’ We zwaaien terwijl het Peli- vaantje danst aan de achteruitkijkspiegel en ik nu zeker weet: Bert is voorgoed een echte Pelikaan.

Sfeer

We hadden de liefde bedreven, niet een keer, maar twee keer, zoals gebruikelijk wanneer je samen een paar dagen op pad bent. Havenstad Hamburg, dinsdagavond begin april. Zon op het terras, aanzwellende geluiden van supporters in de binnenstad, Raster-bier, binnenlokkers bij sex-shops. Naast me een FC Köln-supporter, hij legt uit dat deze club zijn geheime liefde is. Op brede stoepen bedelaars, houden een bord vast, liggen te slapen, veren op. Naast een zwervershoofd een vaasje met narcissen en het geldbakje open. Veel zwart en spijkerstof op straat en stalen lichaamsversieringen.

Hotelletje aan de rand van de Reeperbahn, The Read Light District, an die Friedrichstraße. Centrum als gedoogzone; drinkende en snuivende groepen mannen op straat of in hun eentje, plastic tas in de hand, kapotte schoenen, haastige ogen, eenzaam als honden. Openbare verkoop van lege flessen. Belofte van berucht nachtleven met betaalde liefde, liefde van plastic. Trapjes naar beneden naar minibarretjes, overdag met tralies, linkse punkmuziek, sfeer van underground. Galerieën, kunst op straat, graffiti, smeltkroes.

Ooit met vriendin in deze stad en pret om het vertier, nu ongemakkelijk gevoel. In principe een no go area voor een vrouw van de akkers. Gezang uit een lagere school, kleuters spelen in afgezette stukjes groen, juffen en moeders ruimen eerst de troep op. In principe een no go area voor een kleuter. Bij terugkeer naar het hotel staan er telkens vier vrouwen in latex catsuits. Alles aan hen is gladgestreken en opgevuld. Aan weerskanten twee heren, bij hen is alles opgeblazen, met monden zonder lippen, heen en weer schietende pupillen en blik op het scherm voor een digitaal shot. Je voelt aan je DNA dat het zaak is om dóór te lopen.



FC St. Pauli gegen Sandhausen. Uitverkocht huis, dertigduizend zielsverwanten in de alternatieve voetbaltempel Millerntor. Langgekoesterde wens. Idealistisch voetbalvolkje, against modern voetbal, steunen goede doelen. Bestickerde holen met merchandising. T-shirts, hoody’s, vlaggen met het clublogo Totenköpf overheersen op het plein voor het stadion. Fanklubs über die ganze Welt, de club leeft. Lachende gezichten, zachtmoedige sfeer, langzame wereld. Plekkie schuin achter de goal, tegenover de ultra’s an die Nordtribüne. Ze springen en vormen een verticale golf.

Aanstekelijke gezangen klinken, negentig minuten, onvoorwaardelijke trouw. Het voetbal is matig, publiek tevreden bij ieder schot naar voren. Een enkele vlag en een enkeling draagt het clubshirt, vooral veel bruin-zwart. Bijna onderaan in de 2. Bundesliga. Voor me een knul met een joint, formaat banketstaaf. In het veld een angstige nummer negen, zonder vertrouwen, ‘het lijkt wel of ze bang zijn om te verliezen’, zegt mijn reisgenoot. 0-0.

Vier dagen eerder Cambuur tegen Emmen. Lopend naar het stadion, autootje dichtbij gezet. Niets mooier dan een vrijdagavondderby. Volksbuurt met vermoedelijk jaren dertig woninkjes. Voorjaar in de lucht; magnolia’s knappen open, krijsende roeken. Blauw-paarse hemel, toppen van beukenbomen torenen boven het stadion uit. Voetbal niet als oppervlakkig vermaak maar als noodzaak, vast onderdeel in het bestaan, iets dat moet. Geen dweilorkestjes, folklore of poespas, maar basic en ingetogen, iets dat ten diepste in het hart wordt beleefd. Meer tweetallen dan grote families (zoals onder de rivieren).

Lonkend oog naar harde kern. Hier juist hórizontale bewegingen, dansende aanhangers van links naar rechts en weer terug. Twee helften onophoudelijke support. Engelse ambiance gecreëerd door Liwwadders. Achter ons twee veertien- of vijftienjarige jongens. Ze schreeuwen ‘Barto!’ Martijn Barto loopt warm, hij hoort ze, hij zwaait. Hij valt in (maakt direct oorlog in de zestienmeter, echte nummer negen). Scoort met een intikker. Het blijft bij die ene goal maar voelt als 4-3.

Warm déjà vu moment wanneer we het supporterscafé aan de overkant binnenschuifelen. Dat ik begin jaren negentig een winter lang met de OV-jaarkaart met vriendin met het boemeltje naar Leeuwarden toog, met als doel de Doelesteeg. Om vijf uur piekuur, zes fluitjes wegtikken. Van Nelle shagjes draaien aan de bar. Portie bitterballen. Lage plafonds, ronde barretjes, lekker donker - zelfde sfeer als dit café - schooltassen (‘pukkels’) in de hoek geworpen. Luisteren naar Tainted Love (Soft Cell) en Slave To Love van Bryan Ferry (waarover eentje zei: ‘In principe wijvenmuziek, maar wel móóie wijvenmuziek’). Dat ik thuis had gevraagd een vervolgopleidinkje te mogen doen in deze hoofdstad: ‘sociaal-cultureel werk’, in de stad die ik ‘interessant’ noemde. Maar er klonk: ‘Dat mot mor nait.’

Amper thuis uit Hamburg belde ik mijn moeder. Ik had willen beschrijven hoe de stad was, het harde leven, maar ook de zachte kant, in en rondom het stadion. Maar ik deed verslag op z’n Gronings, in twee zinnen, en hoorde mezelf zeggen: hotel met goeie bedden en het ontbijt was royaal - of zei ik het andersom: een royaal bed en een goed ontbijt?

Voetbalman Gerard Jacobs

Gerard weet het nog als gisteren: dat hij om twee uur `s nachts in april 1970 Els zag staan in discotheek De Dietze in Utrecht. Een leuke dame. Hij vroeg haar ten dans, ze schudde nee, hij zette door: ‘Een biertje dan?’ Ze knikte ja, hij zei: ‘Dan eerst dansen.’ Vanaf die nacht waren ze een paar. Gerard was de jaren daarvoor keeper en niet onverdienstelijk. Hij begon bij het katholieke PVC met de pastor als beschermheer die de spelers zegende voor de wedstrijd. Hij werd gescout, vertrok naar Elinkwijk, de derde (semi)-profclub in Utrecht. Z’n vader deed de onderhandelingen, 685 gulden per jaar plus wedstrijdpremies.

Taxi
Hij kwam uit voor het Utrechtse amateurelftal, tijdens de competitie aantreden tegen elftallen uit andere grote steden. Prachtige tijd. Met Elinkwijk uit tegen Volendam, Gerard ziet de beelden nog voor zich. Bij Volendam speelde Kees Tol, Jacobs en zijn ploeggenoten wonnen verrassend met 2-4. De wedstrijdpremie bedroeg vijfenzeventig gulden, werd direct na de wedstrijd uitgereikt. De Utrechtenaren lieten de bus leeg terugkeren en keerden tegen het ochtendgloren met lege zakken maar met een heerlijk gemoed met de taxi terug. Zijn loopbaan als keeper duurde echter kort; tijdens een duel met een aanvaller van Heracles vloog hij over de kop en kwam er een nier klem te zitten, wat leidde tot blijvende nierbeschadiging. Doorgaan met keepen werd hem ten stelligste afgeraden. Het contract werd per direct stopgezet, zo was dat. Hij was toen tweeëntwintig.



Hij probeerde het een jaartje als scheidsrechter. Ontdekte snel dat dit ‘m niet lag. Hij was veel te veel voetballer, moest zich inhouden om niet te juichen bij een mooie goal. Heeft er wel voor gezorgd dat hij veel respect heeft voor de arbiter; hij weet hoe ontzettend lastig het kan zijn. De ontmoeting met Els was op z’n zevenentwintigste. Al na een paar maanden kreeg het tweetal het aanbod met Gerards werk, in de aluminiumverwerking, op de afdeling crediteuren, naar Leek te verhuizen. Een grote kans; het betekende niet alleen werk maar ook werd huisvesting geregeld (‘Een huurhuis, alles erop en eraan, dat was geweldige luxe.’), voorwaarde was - zoals niet ongebruikelijk in die tijd - dat er getrouwd moest worden.

Vijfentwintig gulden
Het Utrechtse werd ingeruild voor het Groningse. Gerard bleef een voetbalman. Trainer worden was zijn nieuwe doel. Trainerscursus. Hij begon bij Zevenhuizen. Eerste klasse onderafdeling, 1970. Hans Pater was voorzitter. De beloning was vijfentwintig gulden in de week, met af en toe een kilo vlees van de slager en een liter drank uit het café. Eenmaal stond hij zelf in de goal vanwege een schorsing van de keeper. Ze werden ‘glansrijk kampioen’. Het bleek het begin van een lange trainerscarrière. Gerard en Els verhuisden naar Ten Boer, er werden twee dochters geboren. Waar mogelijk gingen ze mee naar het voetbalveld, ze wisten niet beter, dat ging zo. Na Zevenhuizen volgde Tolbert. Warme herinneringen, mooie feesten. Veel jonge spelers ingepast. Krantenknipsels tonen de successen. Op een plaatje een dunne jongen, sluik lang haar gedragen als twee gordijntjes, met flinke haarband, we bevinden ons in de seventies. Zijn naam luidt Rieks Roffel, met eronder ‘dienstplicht?’ en daaronder de vraag waar elk elftal destijds mee kampte: ‘De dienstplicht, gaat dit ongemerkt aan Tolbert voorbij?’ Ook bij deze club plat op de kar.

Roemruchte VVK
VV Haren volgde, vier seizoenen. ‘Gezellige tijd, kampioen geworden, kennissen aan overgehouden.’ De overstap naar Stad: het roemruchte VVK. Ook hier vier jaar. Van de vierde naar de tweede klasse, eenmaal gedegradeerd. Veel publieke belangstelling. In de kwartfinale van de beker tegen Zwartemeer 1500 man langs het veld. Onderdeel van het circus waren de geruchten over het ongeregelde volkje langs de lijn; meisjes van lichte zeden en hun bazen. Vooraf bij die pot tegen Zwartemeer kwam er een souteneur (Frans woord voor pooier; Ursula wil dit stukje netjes houden) de kleedkamer binnen en bood de spelers vijfhonderd gulden bij winst. Desondanks verlies. Mooi elftal met spelers als Glenn Muskiet, en de gebroeders Terpstra, Lukie en Arend, hele goeie voetballers, hun vader stond achter de bar in de kantine. Jacobs vertrok richting Oost-Groningen, CVSB in Scheemda, een zaterdagclub dit keer, voor drie jaar. Hoogtepunt was de wedstrijd in de voorbereiding tegen Ajax (met Olsen, een piepjonge Kieft en Piet Hamburg die eerder voor Groningen uitkwam). Gerard laat het krantenbericht uit de Winschoter Courant zien. 9 Juli 1981, 2500 toeschouwers. Werd 1-8 voor Ajax, na afloop toch mooi de complimenten ontvangen van Ajax-trainer Spitz Kohn voor het prima spel van de Scheemders.

Jaarlijkse uitnodiging

Het stad-Groninger Amicitia heette de nieuwe klus. Studentikoze club, veel jongens hadden gestudeerd of zaten op de ALO. Heel goed elftal, kampioen geworden in de derde klasse. Veel gezelligheid mee beleefd. Als de kantine sloot werd het vertier soms voortgezet bij buurman Gronitas. Nog alle jaren krijgt hij in de decembermaand een uitnodiging voor een jaarlijks zaalvoetbaltoernooi. ‘Hee kootsj’, luidt dan de aanhef. Vier jaar was hij er trainer. Daarna maakte hij bij drie clubs zijn rentree; Haren, Tolbert en Amicitia. Hij had dan min of meer het voornemen gehad om te stoppen, maar hoe gaat dat; hij werd toch weer benaderd, voelde dan weer die band en besloot het te doen. Zijn laatste club werd Hunsingo in Winsum. Eind jaren negentig. Elftal met jongens als Ben Verhoeven, Gert Lantink, Arjan Bakema. Hier vierde hij zijn afscheidsfeest als trainer, alle clubs waar hij langs de lijn stond waren uitgenodigd. De oefenmeester merkt verschil in mentaliteit met hoe spelers waren toen hij begon en later. ‘Vroeger was voetbal alles voor spelers, er was weinig ander vertier, ze gingen er echt voor. Later kwam er veel meer bij, ze konden kiezen.’ Hij had daar best moeite mee, met die veranderende instelling, het gevoel dat je wat uit elkaar groeit. ‘Maar de maatschappij verandert nu eenmaal, is iets dat je spelers niet kwalijk kunt nemen.’

Teamgevoel
Hoe omschrijft hij zichzelf als trainer? ‘Ik ging met spelers op zoek naar hun individuele kwaliteiten. Op welke plek in het elftal komen die het beste tot hun recht? Vervolgens kijken hoe je die sterke punten in dienst van het elftal kunt laten uitkomen. Teamgevoel creëren, dat vond ik altijd erg belangrijk, daar hamerde ik op. Gezamenlijk nazitten, lappen, alle neuzen dezelfde kant op krijgen. Dat je soms een speler moet teleurstellen, dat hoort daarbij, ik schuwde de confrontatie niet.’ De voetballerij bracht de Ten Boerster veel plezier. ‘Weet wat ik zo mooi vind? Als ik in de stad loop dan tref ik altijd wel een oud-speler en dan zegt zo’n jongen niet ‘hoi Gerard’, maar hij zegt ‘hoi trainer’. Het trainerschap is zo’n groot deel van je leven, daar word je blijvend aan herinnerd.’ Jacobs werd na zijn trainersloopbaan actief bij Omlandia 1, in verschillende functies, inmiddels voor het veertiende jaar. Hij was assistent van de hoofdtrainer en tweemaal trainer van de A-junioren waarmee hij het kampioenschap mocht vieren. Hij werd ingezet als hersteltrainer en was actief bij de verzorging. Het individueel spelers begeleiden bij hun terugkeer na een blessure schepte hem veel genoegen. ‘Je bouwt daardoor een hechte band op met zo’n speler, waardevol om betrokken te zijn wanneer een voetballer werkt aan zijn herstel.’

Hechte band
Gerard is een tevreden man. Samen met Els hier aan de keukentafel, de jongedame die hij destijds ten dans vroeg. Els serveert koffie met een flinke gevulde koek erbij (‘die heeft Gerard vanmorgen speciaal voor jou gehaald’). Een oude bruine koffer vol met plakboeken en knipsels. Een stroom fijne herinneringen en anekdotes. Hij schiet in de lach bij het vertellen. Els die altijd van de partij was, die van gezelligheid hield, net als hij. En nog. De dochters die altijd zo goed om ze denken, hun mannen, hoe kan het ook anders, ook twee voetbaldieren en de kleinzoons. ‘Daar ben je heel rijk mee’, zegt Els. Bij Gerard is vorig jaar longkanker geconstateerd. Momenten van hoop en verdriet wisselen zich af. Hij is hoe dan ook vol goede moed. Alle belangstelling, zeker ook uit de voetballerij - doen hem en zijn familie erg goed. Gerard richt zich op wat hij kan en wat moet gebeuren. Op klusjes bij zijn kinderen of voetbal kijken bij de kleinzoons. Veel momenten om gelukkig mee te zijn. Zoals vorig jaar toen ze met het hele gezin op vakantie in Turkije waren. De hele bups bij elkaar, hij had een moment dat hij zich dat drommels goed realiseerde samen bij het zwembad. Die hechte band, dat je alles kunt bespreken, dat er gelachen wordt en het leven gevierd. ‘In 1970 met z’n tweetjes begonnen en kijk eens wat erbij gekomen is.’

Trainer Dick Scholtens

In principe is het tegen mijn principes om een zoon met de auto naar voetbaltraining te brengen. Echter. Sinds mijn jongste deel uitmaakt van het combi-elftal met Garmerwolde en zijn trainer Dick Scholtens heet, ben ik om. Maandag stond de jongen klaar bij het schuurtje, de fiets in de hand, het was goed weer, de andere jongens zouden ook fietsen. Ik zei: ‘Zet de fiets maar terug vent, je moeder brengt je wel even.’ Reden van mijn plotselinge rijdrift is dat ik kan koekeloeren bij het laatste deel van de training.

Er wordt afgesloten met partijtje, de hesjes zijn verdeeld. ‘Gaarmwol’, onder de rook van Groningen, tussen de weilanden, onder goedkeurend oog van de toren. De boerensloot langs het trainingsveld. Dat betekent vissen. Jongens tussen dertien en zestien; in principe niet de meest gemakkelijke leeftijd. Op z’n gemak geeft hij training. Uitstraling van een Groningse pater familias. Hij moedigt aan, noemt wat goed gaat, stimuleert. Hij maakt grapjes, precies de goeie. Een jongen die te lang doorpraat: ‘Wil jij soms trainer worden?’ Een moeder naast me noemt dat haar zoon ‘graag bij Dick wil blijven trainen’, twee Garmerwolders zeggen ‘heel blij te zijn dat Dick volgend seizoen blijft’.



Ik informeer bij hem naar GEO 1. Hij klinkt monter en trots. Naarmate het seizoen vordert wordt hij steeds monterder. De eerste seizoenshelft werd de ploeg geteisterd door blessures. Nu draaien ze lekker. ‘Bovenaan in de tweede periode’, glimt hij. ‘Zaterdag wordt een hele belangrijke wedstrijd.’
Als de training het einde nadert klinkt het bevel om ballen te zoeken: ‘We hadden veertien, ik wil veertien. Zwemmen!’ Ballen worden uit de sloot gevist. Dan komen de soldaatjes van de B-selectie aangemarcheerd, de avond is voor Dick nog niet klaar. Een speler begroet ‘m met: ‘Moi Dickie.’ ‘Moi mien jong’, zegt Dick.

De belangrijke wedstrijd in de vierde klasse E: GEO tegen HS ’88. Heerlijke pot, twee ploegen vol in de aanval. Hij heeft dezelfde houding als bij de training van de C-ers. Het rood-zwarte GEO-jack, een goed geluid, de armen losjes over het ronde buikje. Gemoedelijke uitstraling, eentje waar je van op aan kunt, waar je als speler voor door het vuur gaat omdat hij dat ook voor jou gaat. De trainingsoutfit is ingeruild voor een donkerblauwe spijkerbroek en nette pullover met geblokt overhemd. Ik probeer contact met hem te krijgen zodat ik de duim naar ‘m op kan steken. Maar ik heb oneerlijke concurrentie deze middag, zoals gaat dat bij vrouwen onderling. In de rust komt ze naar hem toe met een bos boterbloemen en na afloop doet ze speciaal voor hem een koprol over het rek: zijn kleindochter.

Langs de lijn zegt ie precies genoeg. ‘Overtuiging! Goed zo.’ Tegen zijn speler waartegen de scheids fluit: ‘Accepteren en weer verder, hoppa!’ Hij straalt vertrouwen uit, je voelt dat het goedkomt. Om zijn woorden kracht bij te zetten klapt hij drie keer in de handen. Het laatste kwartiertje, GEO verdedigt een 2-1 voorsprong met hand en tand, blijft hij een baken van rust. In de storm herkent men de ware kapitein. Bij een blessure van een speler - andere kant veld - loopt hij met verzorgerstas op sukkeldrafje richting de gewonde, neemt alle tijd, wandelt terug en zegt ondeugend richting bank: ‘Toch weer twee minuutjes.’

Ik was een matige voetbalster. Als ik ooit mijn rentree maak, is dat onder Dick. Zijn werkwijze (complimentje, grapje, duidelijke taal) zijn precies de ingrediënten waar ik het goed op doe. Wie weet werpt hij op een trainingsavond een hesje naar me toe. Ik zal er staan.

Voetballer Luuk Brands

My all time favorite voetballer van SV Bedum is Luuk Brands. Ik zou ‘m dit in geen honderdduizend jaar durven zeggen - sterker nog, in de vijftien jaar dat ik hem in de hoofdmacht zie dartelen - heb ik ‘m drie keer hoi gezegd of de duim naar hem opgestoken, uitgezonderd de fase diep in het vorige decennium toen we hyvesvrienden waren en ik hem ‘krabbelde’; een berichtje stuurde met een vrolijke emoji als succeswens voor een wedstrijd.

In die vijftien jaar, Luuk maakte zijn debuut op z’n zestiende, is hij geen spat veranderd constateerde ik vorige week. Zijn strijdtoneel blijft het middenveld. Hij is onverminderd gretig en fel. De sokken wat afgezakt, rood-paarse Adidassen, loerend op iedere bal. Duels op het scherpst van de snede, hij kleunt er stevig in. Het lichaam vooroverhellend, de handen in de zij, in afwachting van actie, overduidelijk meer roof- dan prooidier. Iemand die doorgaat waar anderen opgeven; niet halfslachtig maar vol overtuiging. Eentje die je graag in je ploeg hebt. Eentje die uitstapjes maakte naar het vijfde en tweede elftal, maar die terugkeert als hij nodig is. Een jongen van het zondagvoetbal. Blauwe laserogen, een schalkse blik, alsof hij een binnenpretje heeft. Een jongensgezicht, maar toch op beide knieën inmiddels een knappe koter.



Op vrijdagmiddag doe ik boodschappen bij de Plus. Bij de slagerij-afdeling stopt mijn karretje. Gehakt voor de soep, een droge worst, en mijn wekelijks terugkerende vraag voor de slagersjongen: welke spareribs zijn pittiger; de Indische of de Piri Piri. Dit als inleiding om drie zinnen over voetbal uit te wisselen. Tegenstander, blessures, prognose.

Eens kwam mij het gerucht ter ore dat Luuk bij de vleesafdeling van de Jumbo in Uithuizen werkt. In een opwelling bedacht ik op een vrijdagmiddag de wagen richting Uithuizen te koersen om daar vlees in te slaan. Kon ik eindelijk drie, vier zinnen tegen ‘m zeggen en bovendien: zo’n slagerspakje met of zonder petje ziet er guitig uit. Ik besloot het op de valreep niet te doen, het zou wat te ver gaan.

Vorige winter maakte ik foto’s. Mistig en koud. De grensrechter van VVK droeg een knaloranje Unox-muts. Trainer Visser, echte koukleum, zat onder een wollen dekentje (een wollen dekentje!) in de dug-out. Wat gebeurt er bij kou? Door de verminderde zuurstoftoevoer verkleuren alle lichaamsextremiteiten naar paars - bij Luuk en zijn ploeggenoten paars als hun shirts. De lippen, de neuzen, de oren, alles richting violet. En de twee rastajongens van VVK dan? Nee, bij hen niet.

Volgend seizoen wordt tot mijn opluchting op zondagmiddag gewoon nog gevoetbald in Bedum. Vandaag de dag lonkt nacompetitie. In mei schijnt de zon. Dat betekent rode wangen op de kiekjes. Zet ‘m op Luuk.

De A-junior

De jongen werd geboren op een woensdag. ’s Middags viel de Voetbal International in de bus. Op de voorkant staan Ruud van Nistelrooy en Luc Nilis. Inmiddels moet ik omhoog kijken, bij deze A-junior.

De jongen begroet me in de ochtend met ‘boeh’ of een klikgeluid. Wanneer ik op de overloop naar zolder roep, hij is aan het gamen, en kom met een voorstel - iets gezamenlijks - roept hij halverwege mijn zin: ‘Veel plezier!’ of de uitgebreide versie: ‘Veel plezier Ursula!’ Als ik vragen stel over zijn vorderingen dit eindexamenjaar, wanneer is die open dag? krijg ik twee regels terug, eindigend met ‘doei’, teken dat ons gesprek klaar is.

Toen Justin Kluivert debuteerde tegen Zwolle zat de jongen zat naast me, ik koesterde het moment op de zondagavond, samen voetbal kijken, hij schakelde tussen twee schermpjes, mijn emotie ontging hem, ik zag Justin vlak voor zijn optreden, tussen andere jongelingen, hun gezichten zacht als poezen. Het onbevreesde, onbevangen spel, recht uit het hart en ik zei: ‘Potverdorie, jullie zijn even oud, lagen dezelfde zomer in de wieg, in de warme zomer van 99, schopten als dreumesen een jaar later de eerste keer tegen een bal.’ Ik voelde mijn ogen vochtig worden, dat de tijd zo snel ging vloog me aan; alsof iemand op een fast-forward knop had gedrukt en ik keek ‘m aan, hij nam het voor kennisgeving aan, hij had net kaarten besteld voor Heerenveen - Groningen, dát was belangrijk voor hem dit moment.



Zijn vader, leider van het vijfde, had hem in de herfst aangekeken vanachter de computer, bezig met de opstelling, hij kwam een speler tekort, de jongen was vrij, hij kon mooi meedoen toch? Ik zei: ‘Daar komt niks van in.’ Ik kende zo onderhand de tegenstanders van het vijfde. Meedhuizen, Nieuwolda, ZEC Zandeweer. Flinke kerels met karrenvrachten goede intenties, maar niet voetballers van het meest verfijnde soort, in contact vriendelijk maar in mijn hoofd op het veld transformerend in bulldozers die over het veld denderden. Het idee joeg me angst aan, als aanvaller kreeg je veel te verduren, de jongen was jong, het lichaam rank, het bleef je eigen vlees dat je wilde beschermen.

Hij gaat de stap zetten, van het vriendenteam waarmee hij vanaf de F-jes samen was, naar de senioren. Nu een kleine overzichtelijke wereld. Jaarlijks nagenoeg dezelfde indeling. Tegen Noordwolde, tegen Lewenborg. De directe tegenstander is negen van de tien keer een klas- of schoolgenoot. Ze lopen keuvelend als blije veulentjes samen het veld af. Ook de uitslagen liggen min of meer vast, gek genoeg is dat prettig. Van DVC wordt standaard verloren, voetballen tegen Noordpool betekent winst.
Ooit zal hij tussen de grote mannen lopen. Oog in oog met verdedigers van PKC en Noordscheschut, voetballers met bovenbenen als Edammer kazen, ik had dat met eigen ogen geconstateerd.

Brrr.

Trainer Dick Visser

Die maandag in de ochtendspits reed ie me in de wielen. Hij zat op een klein fietsje en had daarover een klein verhaaltje. Het tweewielertje was van zijn vrouw, het moest gerepareerd, hij was er daarom mee op pad, hij zou zo rechts afslaan. Zoiets was het. Nog een paar zinnen over voetbal. Doch de woorden waaiden weg, door de Damsterkade, langs het water in het sluisje, over de flats van de Florakade. De ontmoeting was voorbij. Maar ik was wakker en hij had me niet teleurgesteld. Fluorescerend witte tanden, een stem als een basgitaar.

Tien jaar eerder bestempelde ik ons contact als teleurstellend. Ik vroeg om een paar woorden voorafgaand aan het duel VV Kloosterburen - FC Lewenborg, een verslag voor de regiokrant, mijn eerste keer, een vuurdoop. Waren er personele bijzonderheden, wat was het strijdplan? Maar Dick praatte in ingewikkeld trainersjargon en voerde daarmee de stress bij mij op. Ik werd nerveus en deed mijn uiterste best ‘m bij te houden met de pen op het kladblok. Een ruit op het middenveld, doordekken, dubbele dekking, ik weet het niet meer. Opgelucht dat het uiteindelijk gelukt was er een begrijpelijke alinea van te maken was ik de volgende dag ontzettend flauw toen ik de krant opensloeg; Vissers inbreng was door de redactie geskipt, vermoedelijk omdat FC Lewenborg niet onder het verspreidingsgebied van de krant valt.



Dick Visser trainde jeugd bij de KNVB, daarna de grote mannen bij VV Glimmen, VV Engelbert, FC Lewenborg en thans SV Bedum zondag. Hij heeft twee inmiddels volwassen kinderen, knappe verschijningen, zo zag ik. Laatst trof ik ‘m in de kantine en hij vertelde dat hij ‘best wel’ trots op ze was. En warempel, ik zag dit in zijn ogen. De zoon is hoofdtrainer van Be Quick 1887 in Haren, en ook zijn dochter doet het goed. De dochter - een ravissante donkerharige - heeft het uiterlijk van een fotomodel en werkt ook zodanig; ze staat in sportieve pose paginagroot in de krant en in abri’s bij de bushalte, reclame (wat heet reclame!) voor een dagblad.

We stonden bij het raam terwijl zijn zoon met twee leeftijdsgenoten aan de bar stond te kletsen en te lachen, het ging ze goed naar de zin. ‘Wat een ongelooflijke druk voor zo’n jonge gast, trainerschap op dat niveau’, zei ik. Zelf ervoer ik al druk bij de dagelijkse boodschappen. ‘Nou en of’, knikte hij, ‘er komt veel op ‘m af.’ En hij vertelde wat zoal en dat de jongen er rustig mee omging. En inderdaad, de jongeling vanaf een meter bezien oogde ontspannen. Het onderwerp veranderde naar de vakantie en Dick kwam met een gerichte tip, een eigen ervaring: ‘Valencia, met je gezin, dat is echt de moeite waard.’

Hij sprak over zijn elftal (aardige jongens met opvallend veel baard in de ploeg), dat ze bezig waren een pubquiz te organiseren, dat vond ie mooi van die gasten, zulk initiatief. Geen harde uitspraken over resultaten en stand op de ranglijst. Luisterend leek het me dat het voor deze trainer vooral aankwam op improvisatievermogen. Een hele klus om zondags de selectie compleet te krijgen. Maar desalniettemin zag hij perspectief en bleef positief, het ging van: die en die zijn er volgende week weer bij en tegen die ploeg waren drie punten mogelijk.

Nu vraag ik mij de hele tijd af hoe het is wanneer vader en zoon beiden trainer zijn. De een van een club in de Derde Divisie met uitwedstrijden naar Limburg en Noord-Brabant, de ander van een ploeg in de Vijfde Klasse D, met tripjes naar Farmsum en Blauw Geel 1915.

Wie belt wie op zondagavond?

De voetbalclub

Er kan een jongetje niet slapen. Naast zijn bed staan voetbalschoenen, blitse blauwe. Gekregen voor zijn vijfde verjaardag. Morgen is zijn eerste echte wedstrijd. Hij voelt het in zijn buik. Gelukkig hoeft hij niet alleen. Hoe moet het anders met de zware tas. Er komen mensen kijken, zelfs de buurjongen. Ook een meiske van dertien kan de slaap maar moeilijk vatten. Morgen kan ze kampioen worden. Met het meidenteam. Of liever: vriendinnenteam, want dat zijn ze geworden dit seizoen. Er moet morgen wel gewonnen worden. Stel je voor dat het misgaat. De kampioensshirts zijn al gedrukt. Niet aan denken maar. Ze verstuurt een laatste sms aan een teamgenootje. Nu slapen.

Een voetballer kijkt naar de omheining. Zal ze er al staan. Ze heeft gezegd te zullen komen. Vandaag extra goed zijn best doen. Hij schudt zijn spieren nog eens los. Daar komt ze aangelopen. Wat is ze leuk. Dit keer voelt het anders dan alle andere keren. Een meisje belooft te komen kijken. Het is even slikken, in je eentje naar het voetbalveld. Gelukkig ziet ze hem al staan. In het veld, bij de goal. Hij ziet er stoer uit in dat witte shirt. De wedstrijd moet nog beginnen. Hij lacht en steekt zijn hand op. Het geeft een fijn gevoel. Vertrouwd en spannend tegelijk. Een moeder zegt: ‘Niet naar school met je trainingsjas aan hoor. Trek je nieuwe jack aan. Het ventje zegt van ‘toe’. Die voetbaljas, die zit zo lekker. En op school zie je ze overal. Net als in het dorp. Met het logo van de club. En je eigen naam. Zijn moeder lacht en zegt: ‘Nou vooruit, het is bijna weekend. Doe ‘m maar aan dan.’



Er is een spits. Een spits die droog staat. Vijf wedstrijden lang. Balen. Nu een belangrijke pot. Hij voelt: vanmiddag gaat het gebeuren. Er hangt iets om hem heen, dat is al zo bij het inspelen. De speaker noemt zijn naam. Hij is scherp. En loert op elke bal. Hij loopt zich vrij. Een steekpass vanaf het middenveld. Nu alleen op de keeper af. Binnenkant voet, in de lange hoek: goal. Gejuich. Hij heeft het weer. Het is er weer.

Er is een groepje mannen, een stuk of acht. Ze komen samen in de kantine. Op een doordeweekse ochtend. Ze keuvelen wat. Over het weekend. De wedstrijd. De groentetuin. Over het voetbalplaatjesverzamelalbum van de kleinkinderen. Twee van hen ruilen een plaatje. Ze gaan aan de slag. Opruimen, een likje verf, de lijnen kalken. De laatste bal wordt opgepompt. Alles spic en span. Iemand roept dat de koffie klaarstaat.

Twee Koemannetjes

Hun meest gestelde vraag is: waar ligt mijn telefoon of wie heeft mijn oplader. En niet: kunnen wij vaker trainen of een extra voedzame maaltijd krijgen. Net als het moedertje van Ronald en Erwin, zo wilde ik het doen. Een eenvoudige jeugd, met rust en regelmaat, niet te veel overdaad, ze zelf hun boterhammen later smeren. De noordelijke mentaliteit, de juiste voedingsbodem.

Hij komt thuis van training. Ik vraag hem hoe het was. Hij grijpt met een hand naar de koelkast en met de andere naar zijn mobiel. Hij bromt steeds vaker 'leuk' of zelfs 'gezellig'. Op zich geen negatieve geluiden, echter geen kretologie passend bij een prof in de dop. Zijn korte antwoorden - archetype Groningse jongen - maken sinds zes weken meer indruk. Zijn stem is ineens een octaaf gezakt. Nooit reageerde hij uitgebreider dan toen hij blij meldde: 'in juni met de B-junioren naar Ameland..'
Als zevenjarige nam ik hem mee naar een talentendag bij SC Veendam. Veendam, dat moet toch gauw kunnen? Hij deed zijn best en ik moedigde hem aan. Ik volgde de ogen van de scouts, wanneer zouden ze hem opmerken. Na afloop van de middag - met rode wangen en een bal in de handen vastgeklemd - zat ie kalm op de achterbank. Hij had een 'leuke middag' gehad. Ik sprintte nadien wekenlang naar de brievenbus. Die bleef leeg. De jongen zelf was het al lang vergeten. De jaren erna maakte hij opmerkingen als: 'Het lijkt mij mooi om later met mijn vrienden in de kantine te zitten, net als papa.' Hij was toen pas tien. En niet veel later: 'Met vrienden lekker in het tweede, dat lijkt me ook wel wat.'

Hun podium blijft de club in het dorp. De uitwedstrijden zijn naar Appingedam of Loppersum. Fietsafstanden. Ze zullen nimmer de blits maken bij Juventus of HSV. Ze krijgen geen vet jeugdcontract, ook niet bij FC Groningen B3. Ik moet zelf hun nieuwe voetbalschoenen kopen. Deze voetbalbroers, hier moet geld bij. Ik zal nimmer flaneren op de pleinen van Turijn of Hamburg omdat een zoon daar speelt. Ik moet blijven werken, met zelfgesmeerde boterhammen op de fiets naar kantoor.



Ze houden me een spiegel voor. Tennissen doe ik het liefst op het gravel in Winsum of Schildwolde. Parijs of Londen is voor mij niet weggelegd. In de competitie verloor ik van Anneke uit Muntendam en kreeg ik keihard klop van Linda uit Emmen. Daarentegen won ik van studentenmeisjes uit Stad, met lijfjes mager als sardientjes. Ik kwam thuis van een tennisdag, nipt verloren, ik was flauw en had de drie voetballers op de bank nodig als publiek. Startte mijn betoog: de eerste set zus, de tweede set zo, maar werd rap onderbroken door een zoon. ´Maar was het gezellig?´, vroeg hij met grote ogen. Ik kreeg toen de gedachte: wie voedt wie hier eigenlijk op?

Column Ursula

De vader van Alex Pijper (Column Ursula)
29 september 2017, 08:56
Pelikaan Bert Noordhof (Column Ursula)
17 augustus 2017, 20:09
Sfeer (Column Ursula)
26 juni 2017, 09:54
Voetbalman Gerard Jacobs (Column Ursula)
05 mei 2017, 20:25
Trainer Dick Scholtens (Column Ursula)
18 april 2017, 10:04
Voetballer Luuk Brands (Column Ursula)
28 maart 2017, 18:15
De A-junior (Column Ursula)
01 maart 2017, 19:46
Trainer Dick Visser (Column Ursula)
07 februari 2017, 21:41
De voetbalclub (Column Ursula)
22 januari 2017, 19:06
U bevindt zich hier: Start Nieuws Column Ursula